De klim naar de Dogon

Vrijdag 7 oktober 1994

Het begrip ‘Dogon‘ heeft in deze context misschien wat toelichting nodig:

Het is 1994 en ik ben samen met Paul al een aantal weken aan het rondtrekken in Mali, West-Afrika. Nu (in 2013) beschrijf ik iedere week één of twee dagen van die reis.
Samen met onze gids ‘Ali’ verplaatsen we ons met taxi’s, taxi-brousses, brommers, bussen, vrachtwagens, boten (van een uitgeholde boomstam tot een schip met ruim 300 passagiers) en nu is het de beurt aan de ‘Charette‘, een gelast ijzeren frame op twee autobanden en een paar houten planken.
Het geheel wordt voortgetrokken door een mager paardje op weg naar de Dogon bovenop een steile klif of ‘Falaise’.

Paul zit op een 'Charette' richting de Dogon

Paul zit op onze ‘Charette’, aan de horizon zie je de ‘Falaise de Dogon’ liggen.

De Dogon streek ligt in het hart van Mali en wordt door veel deskundigen beschouwd als ‘het enige en echte’ stukje Afrika dat oorspronkelijk is gebleven en nog niet al te zwaar is beïnvloed door Westen.
Het gebied is niet makkelijk bereikbaar, er is geen vliegveld, geen rivier en er zijn geen wegen. Hier loop je te voet van punt A naar punt B. Voor grote afstanden kun je met de ‘Charette‘ gaan, tenminste in het lage deel, de Dogon ligt namelijk op een klif die behoorlijk verticaal 300 m in de hoogte gaat. Het volk dat in de buurt van deze klif woont heet ook de Dogon. 

Ali en ik wandelen naar de Falaise, de charette met chauffeur en bagage staat iets verderop.

Ali en ik wandelen naar de ‘Falaise’, de ‘charette’ met chauffeur en bagage zijn iets verderop, rechts.

Om half negen ‘s ochtends verlaten Paul, Ali en ik ‘Bens Bar’ met de ‘Charette‘.
Rond elf uur komen we aan bij voet van de klif, hier ook ‘la Falaise de Dogon‘ genoemd. In het dorpje ‘Teli‘ klimmen we via een rotstrap omhoog naar de miniatuurhuisjes die in de wand van de klif staan. De huisjes zijn honderden jaren geleden als bescherming door de ‘Tellem‘ gebouwd. De  ‘Tellem‘ waren een pygmeeënvolk dat inmiddels is uitgeroeid. Het is merkwaardig om in de kleine huisjes te kijken, ik zie alle gereedschappen nog gewoon aan de muren hangen terwijl het er verder uitgestorven is.
Bizar, het is alsof je over een kerkhof rondloopt, maar je hebt het sterke gevoel dat de bewoners nog ieder moment langs kunnen komen om iets op te halen dat ze zijn vergeten mee te nemen.

La Falaise de Dogon met de kleine huisjes van het pygmeenenvolk de Tellem

La Falaise de Dogon met beneden de kleine huisjes van het pygmeeënvolk de Tellem

We dalen weer af naar het dorpje ‘Teli‘ waar we een paar grote mokken Dogon-bier drinken. Nou ja, wat deze drank eigenlijk gemeenschappelijk heeft met ons bier, weet ik niet, het is gemaakt van gierst en het smaakt naar verse diesel met een vleugje spiritus als aroma. De spiritus is toegevoegd voor de smaak zeg maar. Dat is wel wennen.

Nu ben ik dol op mijn organen en ik ben er redelijk zuinig op, maar ik heb toch het gevoel dat je niet al te veel van dit spul moet drinken, zeker niet vóór de lunch, als je tenminste waarde hecht aan je maag, lever, nieren, gal of je darmen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, per persoon krijg je een tot de rand gevulde emmer toegewezen die naast je wordt gezet zodat je naar hartenlust kunt blijven tappen.

Aan het Dogon-bier, 's ochtends...

Aan het Dogon-bier, ‘s ochtends……………..

Met de ‘charette‘ gaan we naar het volgende dorp, ‘Kanikombolé‘, nog steeds aan de voet van de ‘Falaise‘  voordat we aan de klim gaan beginnen.
Ali verwarmt wat witte bonen met tomatensaus uit blik, we praten met een Belg die op doorreis is. We charteren een gids en drager voor onze bagage. De gids is tweetalig; hij spreekt ‘Dogon‘ en ‘Bamabara‘, de twee belangrijkste talen in dit gebied. Ali spreekt ‘Bambara‘ en ‘Frans‘, wij verstaan een beetje ‘Frans’. Dat zal dus wel goed komen.

Kanikombolé‘, maakt een paradijselijke indruk op me.
De ongelooflijke rust die het dorpje, nee de nederzetting kan ik beter zeggen, uitstraalt. Het is een heerlijke deken die heel comfortabel aanvoelt. Het is geen deken die je verwarmt (dat hoeft ook niet bij een buitentemperatuur van 35 graden) maar je voelt alles wat met spanning in je lijf zit gewoon wegstromen. Heerlijk.

Kanikombole, tussen de middag

Kanikombole met geiten, ezels, baobabs en kindertjes aan de voet van de Falaise. Het paradijs?

Om een uur of twee in de middag, het is nog steeds 35C, beginnen we aan de klim naar het dak van de ‘Falaise’. Onze gids loopt voor door het hoge dorre gras en over de rotsblokken die gemiddeld een meter hoog zijn, klauteren dus. En het is warm, erg warm.
Na een uur klimmen passeren we een forse waterval die behoorlijk veel lawaai maakt. Ali stelt voor dat we even pauzeren en afkoelen bij de waterval, door het gekletter van het water is mijn beige tropenbroek kletsnat geworden waardoor één afritsbare broekpijp los begint te raken en naar beneden zakt.
Onze gids ziet dit tafereel met grote verbazing aan en schrikt zich een hoedje. Terwijl hij met grote ogen naar mij staat te kijken roept hij met luide stem, ‘zijn been valt er af, zijn been valt er af!!!‘ en rent hard weg.

We trekken de rest van onze kleren uit en douchen onder het pure, zuivere, koele water van de waterval en wassen het vuil van de laatste weken weg. Heerlijk, dit is genieten!!!

Onder de koele waterval, heerlijk

Ali en ik onder de koele, koele waterval, heerlijk

Als we schoongespoeld zijn gaan we weer op pad.
Na ongeveer drie lange uren lopen, klimmen, klauteren en ploeteren komen we hijgend, puffend en badend in het zweet boven op de klif aan.
Het valt me op dat mijn zweet niet meer zout smaakt zoals dat anders het geval is, blijkbaar is met deze klim mijn reservevoorraad zouten en mineralen via mijn poriën al verdampt. Uitkijken dus.

Op expeditie, de man rechts is onze gids op blote voeten, Ali wilde graag mijn sporttas op zijn rug, STOER

Op expeditie, de man rechts is onze gids op blote voeten, Ali (links) wilde graag mijn blauwe sporttas op zijn rug, STOER!!!

We zijn eindelijk in de Dogon aanbeland.
Als we het dorp ‘Djiguibombo‎‘ binnenlopen heb je het idee dat je een paar honderd jaar bent teruggegaan in de tijd.
Het lijkt alsof we in de Middeleeuwen zijn beland; geen elektriciteit, geen stromend water.
We lopen over nauwe paadjes tussen de kleine hutten, afgebroken boomstammen worden gebruikt als keukentrapje wanneer je op het dak van een huisje wilt klimmen. Terwijl ze zachte geleuidjes maken lopen de kippen en kleine varkentjes tussen onze benen.
We worden door het dorpshoofd verwelkomd met een groot stuk watermeloen, dat is perfect tegen de dorst, net wat we nodig hadden!

Onze gids zegt dat hij thuis wil eten en dat we hem weer morgen zullen zien. Op blote voeten huppelt hij weer naar beneden, terug naar het dorpje ‘Kanikombolé‘, een stuk waar wij ruim drie uur over hebben gedaan. Morgen huppelt hij naar boven om ons weer op te halen…

In ‘Djiguibombo‎‘ horen we dat er nog een tweede groep Nederlanders in het dorp aanwezig moet zijn.
We gaan op zoek en even later drinken we buiten het dorp een biertje met ze, een van de mensen blijkt een neef van Paul te zijn! Ze zijn hier omdat ze deuren willen inkopen, net als het bier zijn de deuren uit de Dogon immers wereldberoemd.

Na een uurtje lopen we terug naar ons logeeradres.
Ali maakt spaghetti met kip.
We slapen vannacht op het dak van het huis van het dorpshoofd….

 wordt vervolgd…..
This entry was posted in Uncategorized and tagged . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>